De volgorde is niet willekeurig gekozen. Een volledige portefeuille dient eerst te spreiden over verschillende markten en sectoren om macro-economische fluctuaties het hoofd te kunnen bieden. Vervolgens dient er binnen iedere markt/sector met verschillende beleggingsinstrumenten te worden belegd om bijvoorbeeld tijdens dalende markten met opties geld te kunnen verdienen of door volledig naar liquide middelen (geld op de bank) of obligaties over te stappen rente te kunnen ontvangen tijdens deze dalende periodes. Tot slot dient binnen de gekozen sector/markt en het betreffende beleggingsinstrument (bijv. aandelen) niet al het geld in één fonds te worden geïnvesteerd. Dat zorgt ervoor dat wanneer een fonds onverwacht een grote klap krijgt, het totale effect op de beleggingen binnen die sector/markt beperkt blijft.
Veel beleggers en vermogensbeheerders zijn zich van het bovenstaande terdege bewust. Hun portefeuilles zijn (zeer) divers en voldoen aan alle bovenstaande spreidingregels. Een goede spreiding is echter geen vrijbrief voor een buy-and-hold strategie (Hoezo? zie fundament V en VI). Het aanhouden van verliesgevende posities en emotioneel handelen is nooit goed voor uw portefeuille, ook al heeft u de perfecte spreiding binnen uw portefeuille gerealiseerd. Toch is dat wel een fenomeen dat ik vaak om me heen bespeur.
Betekent dit dat alle type beleggers en handelsstrategieën zich ook strikt aan alle bovenstaande spreidingregels moeten houden? Deze vraag wil ik graag met enige achtergrond-informatie en een voorbeeld beantwoorden:
Risico, rendement en "expected value"
De beurs is zoals we allen weten een gesloten systeem. Een belegger kan alleen winst maken als een andere (groep) belegger(s) precies dat bedrag verliest. Verder geldt op de beurs dat des te meer risico u bereid bent te nemen, des te meer u potentieel en in absolute termen kunt gaan verdienen (of verliezen natuurlijk). Een goed voorbeeld hiervan is de coupon-rente op obligaties. Obligaties afgegeven door AAA banken geven u minder rente omdat u als leningverstrekker minder risico loopt om uw geld nooit meer terug te zien (bijv. doordat deze bank failliet gaat). Een ander voorbeeld is het investeren in Amerikaanse "penny stocks". Dat zijn speculatieve aandelen van kleine bedrijven die af en toe erg succesvol worden maar vaak gewoon failliet gaan of veel verlies genereren. Wanneer u in deze aandelen investeert dan weet u dat de risico's hoog zijn en dat u regelmatig uw inleg (gedeeltelijk) kwijt zult zijn. Maar wanneer het toch goed gaat met dat aandeel dan zult u ook enorme rendementen kunnen verwachten. De vraag is dan welke belegger (de obligatiehandelaar of de penny stocks belegger) na 10 jaar beleggen het hoogste gemiddelde rendement heeft behaald. De term "expected value" (ook wel EV genoemd) geeft in theorie hierop antwoord en kan met behulp van een hele simpele wiskundige formule worden berekend:
EV = kans x opbrengst.
Het werkt als volgt: De obligatiehandelaar kan er bijna zeker van zijn dat hij, zeg 5% rendement per jaar kan behalen met de couponrentes van zijn AAA obligatie (we negeren ter illustratie van het voorbeeld het koerswinst/verlies op de obligatiekoers zelf). Hij heeft dus bijna 100% kans (zeg 99%) op 5% rendement. De penny stock belegger schat in dat hij 10% kans heeft om een penny stock te kopen dat een succes zal worden. Hij weet ook dat hij in die gevallen gemiddeld 50% rendement kan maken (bij de andere 90% gaat hij ervan uit dat hij zijn geld kwijt zal zijn). Met deze gegevens kunnen we nu de EV van beide strategieën uitrekenen:
EV Obligatiehandelaar: 99% x 5% = 4,95%
EV Penny stocks belegger: 10% x 50% = 5%
Wat deze formule laat zien is het gemiddelde en verwachte rendement van een beleggingsstrategie. Een goede belegger weet dat dit rendement het belangrijkste gegeven is over de prestaties van zijn portefeuille. In dit voorbeeld is dus het verwachte gemiddelde rendement van beide strategieën hetzelfde. Dit wetende, welke strategie zou u dan kiezen? Ik zou voor de obligatiestrategie kiezen, want dan heb ik a) veel meer vrije tijd over en b) veel minder last van een te hoge bloeddruk. Maar, dat is persoonlijk. Beleggers die graag veel actiever willen zijn op de beurs en goed tegen stress kunnen zouden voor de tweede strategie moeten kiezen. In beide gevallen zullen beide beleggers net zoveel geld hebben verdiend na 10 jaar handelen. Toch?
Niet helemaal... Dat is dan ook de volgende reden waarom ik voor het systeem van de obligatiehandelaar zou kiezen.
Wanneer de twee beleggers in het voorbeeld hierboven geen van de eerder genoemde spreidingstrategieën zouden toepassen, dan zouden ze slechter presteren dan nodig. De penny stock handelaar kan er zelfs vrij zeker van zijn dat hij al zijn vermogen binnen de kortste keren kwijt zal raken! Stel dat de beide beleggers hierboven iedere keer al hun vermogen in één fonds steken. In het geval van de penny stocks handelaar zou hij er 90% zeker van zijn dat hij zijn gehele vermogen na één transactie kwijt zal zijn!
Het is dus duidelijk dat de penny stocks belegger zich minstens moet houden aan spreidingregel nummer 3: spreiden over verschillende fondsen. Stel nu dat de penny stocks handelaar zijn vermogen door 10 deelt en ieder deel in een ander penny stock steekt. Is nu de kans dat hij zijn volledige vermogen na 1 ronde kwijt raakt kleiner? Ja, zeker; die kans is hierdoor niet meer 90%, maar "slechts" 35% (90% tot de macht 10). 35% kans om na één ronde al alles kwijt te raken is natuurlijk nog steeds onacceptabel hoog. Bij een verdeling van het vermogen in 30 verschillende penny stocks brengen we deze kans terug tot 4%. Nu heeft het systeem de tijd die het nodig heeft om op de lange termijn de "expected value" van 5% te halen zonder tussendoor al het vermogen kwijt te raken (iets wat nog steeds niet uitgesloten kan worden).
De obligatiehandelaar hoeft zich niet per definitie aan regel 3 te houden. De kans dat hij zijn vermogen volledig kwijt raakt is immers slechts 1%, ook al belegt hij al zijn vermogen steeds in 1 obligatiefonds. De obligatiehandelaar zou zijn system wel iets beter kunnen balanceren door regel 2 toe te passen en obligatiebeleggingen af te wisselen met liquide middelen (geld op de bank). Hij zou bijvoorbeeld in periodes waarin de rente stijgt zijn obligaties kunnen inruilen voor geld op de bank (liquide middelen). Aangezien tijdens periodes van stijgende rentestanden, obligatiekoersen dalen en liquide middelen meer rente opleveren dan anders, zou hij hiermee het rendement van zijn portefeuille kunnen verhogen.
Samengevat is het dus niet altijd nodig om alle genoemde spreidingregels in iedere beleggingsstrategie op te nemen. De spreidingstrategie is afhankelijk van het type beleggingsstrategie, maar enige spreiding zal altijd nodig zijn. Het uiteindelijke doel van spreiding is het aanbrengen van vangnetten bij onverwachte tegenvallers en het verhogen van het portefeuille-rendement bij veranderingen in de markt.
Het system van de AEX belegger past spreidingregels 2 en 3 toe. Lees hier meer over onder het kopje "werking van het systeem" en bekijk ook de money management regels.
De AEX Belegger.
|